Erfelijke aanleg voor kanker

Bij ongeveer 5% van alle mensen met kanker is een erfelijke aanleg de belangrijkste oorzaak.  Het vaststellen van een erfelijke aanleg voor kanker heeft soms consequenties voor de behandeling en vervolgcontroles van de patiënt zelf. Daarnaast is het van belang voor (gezonde) familieleden, met name vanwege de mogelijkheid van preventieve handelingsopties, zoals controles of soms operaties.
Het verschilt per type kanker wanneer gedacht moet worden aan een mogelijke erfelijke oorzaak. In het algemeen geldt dat een erfelijke oorzaak meer waarschijnlijk is bij onderstaande kenmerken:

  • Jongere leeftijd dan normaal bij diagnose
  • Twee of meer primaire tumoren bij één patient (in één of in verschillende organen)
  • Een positieve familieanamnese: meer verwanten met (dezelfde vorm van) kanker dan je op grond van toeval zou verwachten

De verwijscriteria verschillen echter per type kanker. Op de volgende pagina’s vindt u de verwijscriteria uitgesplitst naar type kanker. Zie voor meer informatie ook het richtlijnenboekje van de STOET/VKGN (Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren respectievelijk Vereniging van Klinische Genetica Nederland).

Ga er bij een indicatie voor verwijzing niet zonder meer vanuit dat de behandelend specialist verwijst, maar denk mee. Verwijs daar waar mogelijk zoveel mogelijk het aangedane familielid. Eventueel DNA-onderzoek wordt namelijk bij voorkeur verricht op materiaal (dit kan in bloed en in sommige gevallen op weefsel) van een aangedaan persoon. De kans om een eventuele erfelijke aanleg aan te tonen is dan het grootst. De eventuele erfelijke aanleg bij het aangedane familielid hoeft immers niet geërfd te zijn door familieleden. Is de erfelijke oorzaak bij het aangedane familielid bekend, dan kan DNA-onderzoek bij familieleden aantonen of met zekerheid uitsluiten of zij hier drager van zijn.