Psychiatrische aandoeningen

Er zijn veel verschillende psychiatrische aandoeningen die sterk van elkaar verschillen in voorkomen. Psychiatrische aandoeningen zijn multifactoriële aandoeningen en worden deels door (meerdere) genetische en deels door (meerdere) omgevingsfactoren bepaald.

In 2011 waren er in Nederland bijna 1,5 miljoen mensen met een lopende DBC in de geestelijke gezondheidszorg. De grootste groep betrof mensen met een stemmingsstoornissen (bijna 269.000). Dit betrof met name depressieve stoornissen (ruim 228.000), terwijl ruim 34.000 mensen bekend waren met een bipolaire stoornis. Bijna 166.000 mensen waren bekend met een angststoornis. ADHD was de meest voorkomende stoornis in de kinderleeftijd (ruim 119.000), terwijl bijna 85.000 kinderen onder behandeling waren i.v.m. autisme . Tot slot waren er in 2011 bijna 76.000 mensen onder behandeling i.v.m. schizofrenie of een andere psychotische stoornis (Bron: CBS-Statline curatieve GGZ, zorgtrajecten per diagnose).

Overerving

Zoals gezegd zijn psychiatrische aandoeningen multifactoriële aandoeningen.

Voor veel psychiatrische aandoeningen zijn studies gedaan naar het aandeel van erfelijke factoren. Een belangrijke bron hiervoor zijn tweelingstudies. Daarin wordt de concordantie voor een aandoening (oftewel de mate waarin een bepaalde aandoening beide tweelingen van een paar treft) tussen één- en twee-eiige tweelingen vergeleken. Als de concordantie bij één-eiige tweelingen groter is dan bij twee-eiige tweelingen, dan pleit dit voor een groter aandeel van erfelijke factoren bij het ontstaan van een aandoening. Immers, één-eiige tweelingen zijn genetisch gezien 100% identiek, terwijl twee-eiige tweelingen (net als ‘gewone’ broers en zussen) 50% van hun erfelijk materiaal delen.

Schattingen over de erfelijkheid van specifieke psychiatrische aandoeningen verschillen. Autisme en ADHD  zouden voor 70-90% erfelijk bepaald zijn, schizofrenie en bipolaire stoornissen voor ~60-80% , terwijl erfelijkheid bij angststoornissen en depressie een minder groter rol speelt (~30-50%  erfelijk bepaald). Met name bij depressie zijn omgevingsfactoren ook sterk van invloed om het ontstaan.

De bovengenoemde percentages voor de erfelijkheid van een aandoening geven geen informatie over iemands individuele risico op een psychiatrische aandoening gegeven zijn/haar familieanamnese. Om hiervan een inschatting te maken is het onder meer van belang om te weten welke familieleden bekend zijn met een psychiatrische aandoening en wat hun verwantschap is. Zo is de kans op depressie voor iemand met een gezinslid met deze aandoening naar schatting 3x zo hoog als voor de algemene bevolking. Het risico op schizofrenie voor iemand met een broer of zus met schizofrenie is ongeveer 9%. Als naast een broer of zus ook bij 1 van beide ouders sprake is van schizofrenie is die kans 16% (zie ook de achtergrondinformatie over schizofrenie).

Daarnaast zeggen de bovengenoemde percentages niets over welke genen betrokken zijn bij het ontstaan van de aandoening. Of het aantal genen dat betrokken is. Bij psychiatrische aandoeningen is er niet één bepaalde genvariant of mutatie die de aandoening veroorzaakt. Verschillende grote studies hebben vele genetische factoren gevonden die elk een deel van het risico op het ontwikkelen van een psychiatrische aandoening bepalen. Het aandeel van elk van deze genvarianten op zichzelf is echter vaak klein, zodat het aantonen van een zo’n losse genvariant beperkt informatie geeft over iemands individuele risico om een aandoening te ontwikkelen. Uit onderzoek blijkt dat er overlap is tussen de verschillende genvarianten en de aandoeningen waaraan deze worden gelinkt: bij mensen met verschillende psychiatrische aandoeningen worden soms dezelfde genvarianten aangetroffen.

Bij psychiatrische aandoeningen spelen, naast eventuele erfelijke factoren, ook omgevingsfactoren een rol. Zo zijn cannabisgebruik en opgroeien in stedelijk gebied risicofactoren voor het ontstaan van schizofrenie. Het kan daarom van belang zijn om bij psychiatrische aandoeningen zowel aandacht voor omgevingsfactoren als de familieanamnese te hebben.

Meestal is er dus niet sprake van een eenduidige genetisch oorzaak voor een psychiatrische aandoening. In sommige gevallen zijn psychische aandoeningen onderdeel van een syndroom. Dan zijn er naast de psychische aandoening nog andere verschijnselen. In die gevallen kan er wel degelijk sprake zijn van een duidelijke/eenduidige genetische oorzaak voor de psychische aandoening, Zo is het 22q11-deletiesyndroom een bekende risicofactor voor het ontstaan van schizofrenie en kan bij jongens en mannen met het fragiele X syndroom sprake zijn van autisme.

ALLES OPENEN