Dysplastische heupontwikkeling

Bij congenitale heupdysplasie of een dysplastische heupontwikkeling (DHO) is sprake van een onderontwikkeling van het heupgewricht. De heupkom is onvoldoende diep, waardoor de heupkop gemakkelijk uit de kom raakt. DHO kan enkelzijdig, maar ook dubbelzijdig voorkomen. Bij DHO gaat het 2x zo vaak om de linkerheup dan om de rechterheup.

Een DHO kan leiden tot frequente (sub)luxaties, maar ook bijvoorbeeld vroegtijdige atrose. Vroegtijdige ontdekking en zo nodig behandeling is van belang om klachten en problemen te beperken.

Een DHO komt naar schatting voor bij 2-4% van de zuigelingen tot 6 maanden. Heupluxatie komt naar schatting voor bij 1 a 2 per 1.000 zuigelingen. DHO komt 3-5 x vaker voor bij meisjes als jongens; 4-5 x vaker bij een belaste familieanamnese voor DHO of coxartrose op jongvolwassen (<45 jaar) leeftijd; en 2-4 x vaker bij een stuitligging in het laatste trimester.

Oorzaken

Een DHO kan tijdens de zwangerschap tot aan de peutertijd ontstaan. De oorzaak is niet precies bekend. Het consultatiebureau zal tijdens controles vaak achter een afwijking komen, maar navraag door de huisarts naar familieleden met heupdysplasie is soms toch nog noodzakelijk bij eventuele klachten zoals bij onverklaarde heupklachten.

Een DHO is een multifactoriële aandoening.

Erfelijke factoren spelen een rol en daarom is er voor eerstegraads familieleden van kinderen met een heupdysplasie op de leeftijd van 3 maanden reden voor beeldvormend onderzoek van de heupen. Datzelfde geldt voor kinderen geboren na stuitligging en kinderen waarbij het reguliere heuponderzoek in de jeugdgezondheidszorg afwijkend was (vb. abductiebeperking of –verschil, verschil in kniehoogte).

Bij een sterk vermoeden op DHO moet directe verwijzing naar een (kinder)orthopedisch chirug worden overwogen.