Diabetes Mellitus

In Nederland waren er in 2011 naar schatting 830.000 mensen met gediagnosticeerde diabetes. Het merendeel van deze mensen heeft diabetes mellitus type 2 (DM2), terwijl ongeveer 10% van de mensen met diabetes diabetes mellitus type 1 (DM1) heeft.

DM1 is een auto-immuunziekte, waarbij de suikerziekte het gevolg is van destructie van beta-cellen van de pancreas. Bij DM2 is sprake van insulineresistentie.

Een subtype van DM1 is LADA (latent auto-immune diabetes in adults). LADA is een vorm van DM1 die langzaam ontstaat en zich meestal boven de leeftijd van 35-40 jaar manifesteert. Mensen met LADA hebben vaak niet de verschijnselen die je bij de klassieke vorm van DM1 wel ziet: een korte ziekteduur, gewichtsverlies en ketonen in de urine. Vanwege het ontstaan op volwassen leeftijd wordt LADA weleens aangezien voor DM2. Bij LADA is het BMI vaak beduidend lager dan bij DM2, is sprake van autoantistoffen en hebben patiënten een verhoogd risico op andere auto-immuunziekten. Naar schatting 15% van de mensen met DM2 heeft eigenlijk LADA.

DM1 en DM2 zijn multifactoriële aandoeningen; aandoening waarbij zowel erfelijke factoren als omgevingsfactoren een rol spelen in het ontstaan.

Monogenetische vormen van diabetes

Waar bij DM1 en DM2 erfelijkheid een rol speelt bij het ontstaan, maar niet de belangrijkste oorzaak is, zijn er ook vormen van diabetes waar dit wel het geval is: monogenetische vormen van diabetes.

  • Een belangrijke groep zijn de MODY (maturity-onset diabetes of the young) typen diabetes. Dit zijn autosomaal dominant overervende vormen van diabetes. Inmiddels zijn meer dan 10 verschillende typen MODY beschreven waarvan MODY 1, MODY 2 en MODY 3 de meest voorkomende vormen zijn. MODY wordt nogal eens aangezien voor DM1 of DM2. Naar schatting 5% van de mensen met DM2 heeft eigenlijk MODY.

Belangrijke redenen om aan MODY te denken zijn o.a.

-DM2, maar BMI <27 (geen hypertensie, geen dyslipidemie (Nb MODY3 heeft wel dyslipidemie)/geen metabool syndroom, geen acanthosis nigricans)

-DM en positieve familieanamnese met jong begin DM

-DM zonder dat behandeling nodig is, of met slechts minimale behandeling

Vergelijking MODY en DM1, DM2

  DM1 MODY2 MODY1,3 DM2

Meest voorkomende leeftijd

10-30 hyperglykemie vanaf geboorte 10-45 >25
Insulineresistentie Zelden Nee Nee Ja
Ouders DM 10-15% Ja, maar niet altijd bekend 60-90% Vaak
Overerving Multifactorieel Autosomaal dominant Autosomaal dominant Multifactorieel
Behandeling 1e keuze Insuline Dieet SU-derivaten (lage dosis) Metformine
Ketoacidose Ja Niet beschreven Zeer zelden Zelden
Antistoffen ß-cel >90% Zeldzaam Zeldzaam Nee/zelden
C-peptide Laag/ondetecteerbaar Normaal Normaal Normaal/hoog
hsCRP Normaal Normaal

1: normaal

3: laag

Vaak chronisch hoog