Preconceptiezorg

Preconceptiezorg omvat het vaststellen van een mogelijk verhoogd risico op ongunstige zwangerschapsuitkomsten voorafgaand aan de zwangerschap. Daarnaast gaat het over het geven van algemene en eventuele gerichte adviezen om de gezondheid te bevorderen en als het nodig is, het tijdig instellen van een effectieve behandeling.

Doel preconceptiezorg

Het doel van preconceptiezorg door de huisarts is dat paren met een kinderwens van voldoende informatie en advies krijgen, zodat ze tijdig geïnformeerde keuzes kunnen maken en zo gezond mogelijk aan een zwangerschap kunnen beginnen. Preconceptiezorg zou de perinatale sterfte kunnen verlagen. De perinatale sterfte in Nederland is relatief hoog in vergelijking met andere Europese landen. Vroeggeboorte, laag geboortegewicht en aangeboren afwijkingen zijn de belangrijkste risicofactoren voor perinatale sterfte in Nederland.

NHG-Standaard Preconceptiezorg

In de NHG-Standaard Preconceptiezorg worden richtlijnen gegeven voor preconceptiezorg door de huisarts. Onderzoek laat zien dat vrouwen er de voorkeur aan geven om door de huisarts geïnformeerd te worden over preconceptiezorg. 
Als eerste bestaat preconceptiezorg uit een risico-inventarisatie. Als hulpmiddel hierbij kan de gevalideerde vragenlijst ZwangerWijzer dienen. Deze vullen paren met een kinderwens voorafgaand aan het consult in.

Verder behandelt de NHG-Standaard Preconceptiezorg de interventies die plaatsvinden en de algemene voorlichting die de huisarts geeft. Ook gaat de standaard in op de gedragsveranderingen voor roken, alcohol, drugs en overgewicht. In de standaard worden adviezen gegeven die zowel voorafgaand aan de zwangerschap als in de vroege zwangerschap gelden, want in de vroege zwangerschap is de foetus kwetsbaar voor schadelijke invloeden, omdat de organen en placenta worden aangelegd.

In de periode dat de conceptie nog niet heeft plaatsgevonden, is het belangrijk dat de huisarts de volgende onderwerpen bespreekt om risico’s op een ongunstige uitkomst van de zwangerschap te verkleinen. Het gaat hierbij om:

  • leeftstijlfactoren (roken, alcohol, drugs en gewicht)
  • foliumzuurgebruik (het advies is om 1 maal daags 0,4 tot 0,5 mg foliumzuur te nemen vanaf 4 weken voor de conceptie tot en met 10 weken na de eerste dag van de laatste menstruatie)algemene medische onderwerpen (medische en obstetrische voorgeschiedenis)
  • erfelijke factoren en afkomst. Afhankelijk van iemands familiegeschiedenis en/of afkomst kan er een indicatie bestaan voor preconceptionele dragerschapsscreening (bijv.op hemoglobinopathie, cystic fibrosis). Voor meer inforrmatie, zie onze tekst over dragerschapstesten.
  • omgevingsfactoren (arbeidsomstandigheden, kans op infecties, psychosociale factoren)
  • algemene medische onderwerpen (medische en obstetrische voorgeschiedenis, medicatiegebruik, doorgemaakte kinderziekten/vaccinaties) 

Omdat de meeste patiënten tussen de 20 en 44 jaar een keer per jaar bij de huisarts komen, kan hij/zij een tijdige inventarisatie van risico’s bij een kinderwens bevorderen. Een huisarts kan vrouwen en soms ook mannen naar een kinderwens vragen bij het voorschrijven van medicijnen en deze als het nodig is aanpassen. Daarnaast kan hij/zij het nut van een preconceptieconsult aangeven bij paren met een diagnose die van invloed kan zijn op een zwangerschap. De huisarts kan ook over preconceptiezorg beginnen tijdens vragen over anticonceptie, soa’s of eventueel uitstrijkjes en na een spontane miskraam.

De effectiviteit van preconceptiezorg is moeilijk vast te stellen. De NHG-standaard stelt (Noot 5): "Conclusie: interventies leiden blijkbaar tot gunstige gedragsverandering. Aangenomen wordt dat dit ook leidt tot betere uitkomsten, maar dat is tot dusver nog niet bewezen. De standaard beschrijft risicofactoren waarvan bewezen is dat het voor moeder of kind schadelijk is. De standaard geeft geen antwoord op de vraag of preconceptiezorg programmatisch aangeboden dient te worden"