Consanguïniteit

Er wordt gesproken van consanguïniteit als (huwelijks)partners door afstamming van een of meer gemeenschappelijke voorouder(s) verwant zijn aan elkaar. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om neef en nicht (gezamenlijke grootouders), of om achterneef en achternicht (gezamenlijke overgrootouders).

Het huwelijk tussen een neef en nicht is de meest voorkomende consanguïne huwelijksvorm en het voorkeurshuwelijk in veel samenlevingen wereldwijd zoals in Noord-Afrika, Sub-Saharisch Afrika, Midden-Oosten en West, Centraal en Zuid-Azië. In Nederland zal de huisarts consanguïne relaties vooral in de grote steden onder migrantenpopulaties tegen komen die afkomstig zijn uit deze landen. Maar ze kunnen ook gevonden worden in kleine autochtone gemeenschappen waar een voorkeur bestaat om een partner binnen de grenzen van het dorp en/of een geloofsgemeenschap te zoeken. 

Hoewel consanguïniteit vaak wordt geassocieerd met de Islam, is het een cultureel gebruik dat los staat van religie. Redenen om te trouwen met een familielid kunnen zijn dat het gemakkelijker is om een huwelijkspartner te vinden binnen de familie, dat er een gemeenschappelijke achtergrond bestaat waardoor de partners beter bij elkaar passen, dat de band tussen de familieleden wordt versterkt en het familiebezit behouden blijft. En bovendien dat de positie van de vrouw wordt versterkt omdat ze binnen haar eigen familie blijft.

ALLES OPENEN
  • Cijfers

    Consanguïniteit komt over de hele wereld voor bij ongeveer 10% van de wereldbevolking. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten waar deze huwelijksvorm een traditie is, komt het veelvuldig voor. In landen als Turkije en Marokko wordt dit percentage bijvoorbeeld geschat op 15 tot 25%. In Nederland – waar het percentage halverwege de vorige eeuw laag was - worden consanguïne relaties nu dan ook vooral gevonden onder migrantenpopulaties die afkomstig zijn uit deze landen, maar ook in kleine autochtone gemeenschappen waar een voorkeur bestaat om een partner binnen de grenzen van het dorp en/of een geloofsgemeenschap te zoeken. 

  • Risico's
    • Voor ouders die niet verwant zijn is het algemene risico op een aangeboren/erfelijke afwijking bij hun kind ongeveer 2-3%;
    • Het gemiddeld algemene extra risico voor een neef-nicht paar ligt rond de 2% (het totale algemene risico is dan dus 4 tot 5%);
    • Voor achterneef-achternichtparen, is het extra algemene risico rond de 1%. (Het totale algemene risico is dan 3 tot 4%);

    De genoemde risico’s gelden bij enkelvoudige consanguïne relaties. Soms is de situatie ingewikkelder, bijvoorbeeld als de twee partners dubbel neef en nicht zijn, of als ook de (voor)ouders consanguïen zijn. In dat geval kan een klinisch genetisch centrum gevraagd worden een preciezere risico-inschatting te maken.

    Het extra risico bij een consanguïne relatie berust vooral op het mechanisme van de autosomaal recessieve (AR) overerving. Het risico ontstaat door de verhoogde kans dat een gemeenschappelijk voorouder, die drager is, de betreffende pathologische mutatie aan beide ouders van het kind heeft doorgegeven. Wanneer beide ouders eenmaal drager zijn van deze mutatie, bestaat er 25% kans dat zij tegelijk deze mutatie aan hun kind doorgeven, waardoor het kind ziek wordt. 

    Bovengenoemde cijfers zeggen alleen iets over de populatie van consanguïne paren als geheel. Een individueel consanguïn paar kan alleen statistisch 2-3% extra kans hebben op een kind met een AR aandoening, maar feitelijk niet. Voor het individuele paar is het percentage 0% (paren die geen drager zijn van dezelfde AR overervende aandoening) of 25% (paren die allebei drager zijn van dezelfde AR overervende aandoening). Uit de cijfers over de risico's binnen de populatie van consanguïne paren kunnen we dus concluderen dat de meerderheid van consanguïne paren niet beide drager zijn van dezelfde erfelijke aandoening en dus geen verhoogd risico hebben als gevolg van hun verwantschap. Het moet ongeveer 8-10% van de neef-nicht paren zijn die een sterk verhoogd risico hebben (van 25% of hoger); de rest heeft geen verhoogd risico. Het is echter niet mogelijk om tussen de hoog- en laagrisico paren te differentiëren.

  • Wat kan een huisarts met consanguïniteit?

    Paren die een verhoogd risico hebben op het krijgen van een kind met een aangeboren en/of erfelijke aandoening zouden hierover door de huisarts geïnformeerd moeten worden, als deze paren dit willen. Dit geldt voor consanguïne paren, net als voor niet-consanguïne paren. Het extra algemene risico bij consanguïniteit is van dezelfde orde van grootte als bijvoorbeeld dat bij uitgesteld moederschap of het gebruik van moderne reproductieve technologieën. Uitgangspunt in al deze gevallen moet zijn om mensen objectief te informeren over deze risico’s en eventuele maatregelen, maar hen vrij te laten en te ondersteunen in de keuzes die zij vervolgens maken.

    Informatie over risico’s bij consanguiniteit moet bij voorkeur voor de zwangerschap gebeuren omdat er dan meer keuzemogelijkheden zijn dan tijdens de zwangerschap en om de betrokkenen meer tijd te geven hun reproductieve mogelijkheden te overwegen.

  • Het consult

    Alhoewel het onderwerp over het algemeen niet als een taboe wordt ervaren door mensen die afkomstig zijn uit een populatie waar consanguiniteit traditie is, verdient het de voorkeur om het in te bedden in de bredere context van reproductieve risico’s.

    • In de preconceptiefase is een goede aanleiding een preconceptiezorg-consult, waarbij het paar zich hopelijk heeft voorbereid door de ZwangerWijzer-vragenlijst op internet in te vullen of door dat tezamen met de praktijkassistente te doen. In ZwangerWijzer komt ook een vraag naar een eventuele familierelatie tussen de partners aan bod. Maar het onderwerp kan natuurlijk ook worden aangekaart in de context van een ander consult waarin trouwplannen, anticonceptie of kinderwens aan bod komen. 
    • In het geval van een bestaande zwangerschap zullen de meeste niet-verloskundig actieve huisartsen de zwangere doorverwijzen naar een verloskundige of gynaecoloog na afname van een korte anamnese (zie NHG-standaard Zwangerschap en kraamperiode). Overwogen kan worden om ook tijdens deze anamnese het onderwerp kort aan te kaarten.
  • Wat moet er aan bod komen?
    • Familieanamnese.  Komen er bepaalde ziektes in de familie voor? Zijn er kinderen met aangeboren afwijkingen, verstandelijke beperking en/of ontwikkelingsachterstand? Zijn er miskramen voorgekomen bij het paar en/of in de familie? Kijk voor meer informatie ook op onze pagina over verwijsindicaties. 
    • Stamboom. Om zoveel mogelijk de risico’s te kunnen bespreken die gelden voor het individuele paar in de spreekkamer, is het goed om een stamboom te tekenen waarmee de precieze verwantschap in kaart kan worden gebracht. Wees alert op de mogelijkheid van meerdere relaties tussen de partners of eerder in de familie.

     

  • Beleid

    Bij het ontbreken van een positieve familiegeschiedenis

    • Uitleg over algemene risico (2-3%)  en het verhoogde risico in verband met consanguïniteit (bijvoorbeeld 2% voor neef-nicht paren (het totale algemene risico is dan 4 tot 5%)  en 1% voor achterneef-achternicht paren (het totale algemene risico is dan 3 tot 4%));

    • Bespreek dat de ouders beide drager kunnen zijn van een ziekte, maar dat het (op dit moment) zonder aanknopingspunten tevoren niet goed te voorspellen of ze drager zijn en om welke ziekte(n) het zou kunnen gaan. Verwijzing naar een klinisch genetisch centrum kan worden overwogen.

    • Sommige stellen hebben een verhoogde kans op het krijgen van een kind met een ernstige erfelijke ziekte op basis van hun (oorspronkelijke) afkomst, ook als de ziekte niet eerder in de familie voorkwam. Meer informatie over dragerschapstesten voor risicogroepen vind u op de pagina over dragerschapstesten.

    • Het UMCG heeft een preconceptionele dragerschapstest ontwikkeld voor mensen met een partner binnen de familie. Stellen die hier vragen over hebben, kunnen worden verwezen naar een klinisch genetisch centrum. Daarnaast bieden verschillende Academische centra een preconceptionele dragerschapstest voor paren met kinderwens aan. Meer informatie leest u op de pagina over dragerschapstesten.

    Bij een gecompliceerde verwantschap of een (mogelijk) positieve familiegeschiedenis

    • Bij gecompliceerde verwantschap (bijvoorbeeld als de partners dubbel neef en nicht zijn) of bij een positieve familiegeschiedenis (bijvoorbeeld als er eerder een kind geboren is met een erfelijke aandoening) verwijzen naar een klinisch genetisch centrum.
  • Wat doet de klinisch geneticus met consanguïniteit?

    De klinisch geneticus zal een uitgebreide stamboom tekenen en familieanamnese afnemen. Als er een familielid is met een erfelijke aandoening zal men proberen te achterhalen of de diagnose bekend is. Indien mogelijk, zal het paar een dragerschaptest worden aangeboden. In deze context zullen ook de reproductieve opties van het paar worden besproken.

  • Datum laatste update/revisie: 23-12-2019